leren over gender

Niet alleen het biologisch geslacht van een kind wordt al vroeg bepaald tijdens de zwangerschap, ook de ontwikkeling van het gender of het identiteitsgevoel start in de baarmoeder. Hormonen spelen niet alleen een rol bij de ontwikkeling van het geslacht van een kind, ze hebben ook hun invloed op de hersenen van de ongeborene. Er is reeds aangetoond dat seksehormonen mee de mannelijke dan wel vrouwelijke organisatie van de hersenen sturen en dus ook het genderrolgedrag op latere leeftijd mee bepalen.

Onderzoek bij tweelingen suggereert zelfs dat de ontwikkeling van de genderidentiteit in hoofdzaak bepaald wordt door genetisch-biologische factoren. Het aandeel van erfelijkheid werd in dit onderzoek geschat op 62%, het aandeel van (ongedeelde) omgevingsfactoren op 38%. Meer uitgebreid onderzoek is evenwel nodig om een eenduidige visie te krijgen over welke erfelijkheidsfactoren welke rol spelen in het ontstaan van genderidentiteitsconflicten (Coolidge, Thede & Young, 2002).

Net zoals bij vele onderzoeken wordt het nature (genen) versus nurture (opvoeding) debat nog volop gevoerd. Zo wordt gender en zelfs geslacht door velen als sociale constructen gezien. West & Zimmerman (1987) spreken in dat verband over ‘doing gender’. Butler (1990) heeft het over genderperformativiteit, wat verwijst naar het idee dat gender geen natuurlijk gegeven is, maar geconstrueerd wordt door performance (opvoering).

We gaan er van uit dat naast genetische factoren ook omgevingsfactoren van groot belang zijn in de ontwikkeling van een genderidenteit. De rol die men ‘te vervullen heeft’ binnen de familie en in de maatschappij wordt bovenal cultureel bepaald. Tegen de tijd dat het kind er zich van bewust wordt een eigen identiteit te bezitten, is zijn toekomstige rol door de omgeving vaak al min of meer vastgelegd. Een kind start op jonge leeftijd met het leren over gender. Alle grovere en subtiele nuances die stereotiep met het man ‘of’ vrouw zijn samengaan worden via verschillende kanalen het kind aldus bijgebracht. Zo is speelgoed op dit moment meer dan ooit gegenderd.

Onderzoek wijst uit dat baby’s van 7 maanden reeds in staat zijn een onderscheid te maken tussen toonhoogtes en zo een eerder mannenstem van een eerder vrouwenstem kunnen onderscheiden. Twee maanden later kunnen ze een eerder vrouwelijk gezicht van een eerder mannelijk gezicht onderscheiden. Ze zijn dan echter nog niet in staat de verschillen tussen de geslachten te begrijpen, dat komt pas op de leeftijd van 2,5 à 3 jaar. De verschillen herkennen ze uit zichzelf niet echt op basis van geslachtsspecifieke karakteristieken (bijvoorbeeld het hebben van borsten of een penis), maar wel op basis van heel concrete uiterlijke kenmerken, zoals haartooi of kledij (genderexpressie). Rond hun derde zien kinderen geslacht nog niet als een vaststaand gegeven; ze denken dat het veranderbaar is. Pas op de leeftijd van 5 tot 7 jaar maken ze eenduidig gebruik van specifieke geslachtskenmerken om een onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. Vaak wordt hen verteld dat er slechts twee geslachten zijn, wat niet juist is. Er zijn hier, net zoals bij gender, heel veel variaties in.

Het leren over geslacht verloopt in een drietal fases. In een eerste fase slagen ze er meestal in hun eigen geslacht en dat van anderen te identificeren. Daarna wordt hen aangeleerd dat het geslacht stabiel is en niet verandert na verloop van tijd, om tenslotte tot de vaststelling te komen dat het geslacht permanent is en niet meer kan veranderd worden door externe factoren (door met Barbies te spelen en in bed te kruipen met een pruik op, word je ’s morgens niet wakker met een meisjeslichaam).

Stereotyperingen

Het idee dat jonge kinderen hebben over het biologisch geslacht is behoorlijk stereotiep. In onderzoek werd vastgesteld dat driejarigen andere kinderen, die hen als jongetjes worden voorgesteld, bestempelen als sterk, slim, luid, hard, groot en snel. De kinderen die hen als meisjes in deze test werden voorgesteld, kregen labels als zwak, stil, bang, klein en traag (Cohen -Kettenis & Pfäfflin, 2003). De laatste tijd werd er wel veel aandacht besteed aan het bestrijden van deze stereotypen en zouden er misschien nieuwe labels gecreëerd worden.

Pas na de leeftijd van 7 jaar, worden kinderen iets flexibeler in hun stereotyperingen. Deze genderopvattingen hangen ook nauw samen met opvattingen over etniciteit, zoals duidelijk werd in het poppenonderzoek van Clark & Clark (1940) (zie filmpje hiernaast).

Leren door observatie

Jonge kinderen leren veel over de verschillen in gender door de observatie van rolmodellen. Zo worden ze vaak (onbewust) aangemoedigd in het ‘gepaste’ gedrag. Ouders, media, klasgenootjes, leerkrachten,… hebben allemaal hun invloed. Ouders gaan soms (on)bewust anders om met jongetjes dan met meisjes. Vooral vaders lijken spelgedrag passend bij het toegewezen geslacht van het kind sterk te stimuleren, en dat al van op jonge leeftijd. Leraren blijken hun aanpak naar leerlingen toe ook te laten afhangen van hun geslacht.

Het grootste deel van hun kindertijd brengen kinderen met seksegenootjes door. Zo hebben meisjes vaker een beste vriendin en spreken ze intiemere zaken met elkaar. Jongetjes spelen dan weer vaker in grote groepen, waar hun status binnen de groep belangrijk is. In rollenspelen komen de typische rolverdelingen binnen de maatschappij naar boven. Het zijn allemaal rigide stereotypen die gereproduceerd worden en de genderontwikkeling van kinderen mee bepaalt.

Er zijn jongetjes die hun moeder nadoen of zich het liefst als fee verkleden, en meisjes die liever stoere sporten beoefenen of ridder willen zijn. Het kan absoluut geen kwaad om hen diverse rollen te laten verkennen. Het schept hun creatief vermogen aan. Dit toelaten betekent niet dat men het kind zou stimuleren of aanmoedigen om genderrolgedrag of gevoelens te ontwikkelen die we traditioneel als ‘van het andere geslacht’ bestempelen, maar wel dat het kan experimenteren en gewoon zichzelf kan zijn. Heel wat ouders kiezen tegenwoordig voor zo’n genderbewuste opvoeding.

Bronnen

Butler, J. (1990). Gender Trouble. Londen: Routledge.

Coolidge, F., Thede, L. & Young, S. (2002). The heritability of gender identity disorder in a child and adolescent twin sample. Behavior Genetics, 32, 4.

West, C., & Zimmerman, D. H. (2009). Accounting for doing gender. Gender & society23(1), 112-122.