Leren over gender

De sekse, of het fysieke geslacht van een kind wordt uiteraard reeds bepaald in de moederschoot. Maar ook de ontwikkeling van de gender of het identiteitsgevoel van een kind start reeds in de baarmoeder. Hormonen spelen niet alleen een rol bij de ontwikkeling van het geslacht van een kind, ze hebben ook hun invloed op de hersenen van de ongeborene. Er is reeds aangetoond dat seksehormonen een invloed hebben op de mannelijke of vrouwelijke organisatie van de hersenen en op het genderrol gedrag op latere leeftijd. Dit neemt niet weg dat ook omgevingsfactoren van groot belang zijn in de ontwikkeling van typisch genderrolgedrag. Een recent onderzoek bij tweelingen suggereert dat de ontwikkeling van de genderidentiteit meer een zaak is van genetisch-biologische factoren dan dat het een keuze zou zijn van de persoon zelf. Het aandeel van erfelijkheid werd in dit onderzoek geschat op 62%, en het aandeel van (ongedeelde) omgevingsfactoren op 38%. Meer uitgebreid onderzoek is evenwel nodig om een eenduidige visie te krijgen over welke erfelijkheidsfactoren welke rol spelen in het ontstaan van genderidentiteitsconflicten (Coolidge, Thede & Young, 2002).

De rol die men te vervullen heeft binnen de familie en in de maatschappij wordt zowel genetisch als cultureel bepaald. De genetische factor wordt bij de geboorte verraden door de vorm van de geslachtsorganen: men is een jongen of een meisje. De ouders herkennen aan de geslachtsorganen de genen: mannelijk of vrouwelijk. Zij plaatsen het kind dan in de rol die bij het biologische geslacht past, opdat het later goed weet hoe het zich te gedragen heeft tegenover anderen. Tegen de tijd dat het kind er zich van bewust wordt een identiteit – een eigen ik – te bezitten is zijn toekomstige rol door het milieu/gezin al vastgelegd; jij bent een jongen; jij bent een meisje. Alle grovere of subtielere nuances die met het man- of vrouwzijn samengaan worden het kind aldus bijgebracht. Aan toeval of twijfel wordt niets overgelaten.

Een kind start al op jonge leeftijd met het leren over gender. Onderzoek wijst uit dat baby’s van 9 maanden reeds in staat zijn een onderscheid te maken tussen het gezicht van een man en dat van een vrouw. Twee maanden eerder al, zijn ze in staat het onderscheid tussen een mannenstem en een vrouwenstem te maken. Ze zijn dan echter nog niet in staat het verschil tussen de seksen te begrijpen, dit komt pas op de leeftijd van 2,5 à 3 jaar. Ze begrijpen eerder het verschil in sekse bij volwassenen, dan bij kinderen. Ze doen dit niet op basis van seksespecifieke karakteristieken (bv. borsten), maar wel op basis van haartooi of klederdracht. Pas op de leeftijd van 5 tot 7 jaar maken ze eenduidig gebruik van specifieke seksekenmerken om een onderscheid te maken tussen beide geslachten.

Het leren over seksen verloopt in een drietal fases. In een eerste fase slagen ze er in hun eigen geslacht en dat van anderen te identificeren. Daarna leren ze dat het geslacht stabiel is en niet verandert na verloop van tijd, om tenslotte tot de vaststelling te komen dat het geslacht permanent is en niet meer kan veranderd worden door externe factoren (door met barbies te spelen en in bed te kruipen met een pruik op, word je ‘s morgens niet wakker als meisje).

Stereotyperingen

Het idee dat ze hebben over beide geslachten is wel behoorlijk stereotiep. In onderzoek werd vastgesteld dat 3-jarige kinderen andere kinderen, die hen als jongetjes worden voorgesteld, bestempelen als: sterk, slim, luid, hard, groot en snel. De kinderen die hen als meisje in deze test werden voorgesteld, kregen labels als: zwak, stil, bang, klein en traag (Cohen -Kettenis & Pfäfflin, 2003). Pas na de leeftijd van 7 jaar, worden kinderen al iets flexibeler in hun stereotyperingen. Deze genderopvattingen worden trouwens niet in vacuüm geleerd, maar hangen ook nauw samen met opvattingen over etniciteit, zoals duidelijk werd in het ‘poppenonderzoek’ van Clark & Clark (1940) (zie filmpje hiernaast).

Leren door observatie

Kinderen leren veel over de verschillen in gender, door de observatie van rolmodellen. Ouders, andere volwassenen, leraren, seksegenootjes en media hebben allen hun invloed. Ouders gaan (on)bewust anders om met jongens dan met meisjes. Vooral vaders lijken spelgedrag passend bij de sekse van het kind sterk te stimuleren en dat al van op jonge leeftijd. Leraren blijken hun aanpak van de kinderen te laten afhangen van de sekse. Seksegenootjes stimuleren (spel)gedrag van hun soort en keuren dat van de andere sekse af. Meisjes hebben vaker een beste vriendin en spreken intiemer met hen. Jongens hebben minder vaak een beste vriend en spelen meer in grote groepen, waar hun status in de groep belangrijk is. Het grootste deel van hun kindertijd brengen kinderen met seksegenootjes door.

Bron:
Coolidge, F., Thede, L. & Young, S. (2002). The heritability of gender identity disorder in a child and adolescent twin sample. Behavior Genetics, 32, 4.