Medische evolutie

De geschiedenis van het denken over transgenderisme is sterk verweven met het denken over homoseksualiteit. Hirschfeld (1910) beschreef als eerste de term ‘travestiet‘ voor personen die kleding van het andere geslacht dragen. Hij populariseerde het woord ‘travestiet’ om die mensen te beschrijven die in een genderrol leven die niet overeenkomt met hun fysiognomie. Hij toonde tevens aan dat travestie voorkomt bij elke sekse en seksuele oriëntatie, een vooruitstrevende gedachte in die tijd (Devor, 1997: 30).

Het is ook Hirschfeld die in 1923 de term ‘transseksueel’ voor het eerst gebruikt (Hirschfeld, 1923: 14). Zijn ideeën liepen voor op het gedachtegoed van Harry Benjamin (1966) en anderen die de transseksuele conditie in kaart brengen. Het onderscheid dat zo ontstond tussen cross-dressing, cross-gender identificatie en homoseksualiteit was voor Hirschfeld en Havelock Ellis belangrijk om homoseksualiteit te normaliseren (King, 1996; Weeks, 2000).

De eerste geslachtsaanpassende operatie

Onder de liberale sfeer van de Weimar Republiek kreeg Hirschfeld in 1919 ruimte voor de creatie van het nieuwe ‘Institut für Sexualwissenschaft’ in Berlijn. Samen met dermatoloog Friedrich Wertheim en zenuwarts en psychotherapeut Arthur Kronfeld experimenteerde hij al in de periode 1920-1930 met geslachtsaanpassende operaties. Onder supervisie van Magnus Hirschfeld zal hier in 1930 een eerste ingreep plaatsvinden (kaderend in een geslachtsveranderende operatie) bij de bekende kunstenaar Lili Elbe. Het is echter voornamelijk door het werk van Harry Benjamin dat transgenderisme als fenomeen in wetenschappelijke kringen ruim aandacht verwerft.

De wetenschapper Harry Benjamin wordt vaak gezien als de ‘founding father’ van de westerse transseksualiteit omdat hij de revolutionaire stap nam om de ‘sekse veranderende chirurgie’ voor geschikte kandidaten te verzekeren (Wickman, 2001: 27; Ekins, 2005: 306, 309). Hij kan in de seksuologische traditie worden geplaatst van  Havelock Ellis en Magnus Hirschfeld, de meer progressieve vleugel van seksuologie die tolerant was voor seksuele variatie en diversiteit. Zijn beroemde werk “The Transsexual Phenomenon” (1966) is een standaardwerk in de geschiedenis van het medische denken over transseksualiteit. In zijn nagedachtenis wordt in 1979 de Harry Benjamin International Gender Dysphoria Association, Inc. (HBIGDA) opgericht, het wereldwijde professionele organisatie voor transgender zorg.

Een eerste typologie

De “Sex Orientation Scale van Benjamin” (1966) probeerde de mate van genderdysforie onder te brengen in een aantal categorieën. Via een aantal typerende kenmerken werd gepoogd voor iedere uitingsvorm een profielschets te geven. De indeling had echter alleen betrekking op mannen. Wat betreft travestie werden er kunstmatig een aantal onderverdelingen gemaakt.

  1. Zo werd een eerste categorie benoemd als pseudo-travestieten. Hierbij gaat het om mannen met een uitgesproken mannelijk identiteitsgevoel en een volledig sociaal mannelijk leven, waarbij omkleding (het aantrekken van vrouwelijke kleding) incidenteel voorkomt. Belangrijker dan het omkleden op zich, is de omkleding in de fantasie, die meestal een seksuele functie heeft. De seksuele voorkeur kan zowel hetero, bi- als homogericht zijn. Deze lichte mate van genderdysforie komt heel frequent voor en – net als alle andere vormen van genderdysforie – in alle lagen van de bevolking.
  2. Een tweede vorm van genderdysforie werd omschreven als fetisjistische travestie. Ook hier is het identiteitsgevoel nog duidelijk mannelijk te noemen, men heeft een geïntegreerd sociaal leven, maar omkleding gebeurt heel geregeld. Vooral vrouwelijk ondergoed geniet hier de voorkeur, dikwijls gedragen onder de mannenkledij. De omkleding heeft hier ook meestal weer een seksuele functie waarbij opwinding in veel gevallen alleen kan verkregen worden door middel van een kledingstuk of een niet-erotisch beladen lichaamsdeel van een vrouw. Vaak gaat dit gepaard met schuldgevoelens. Interesse voor het innemen van vrouwelijke hormonen kan aanwezig zijn. Ook het aannemen van twee persoonlijkheden en twee namen, of het imiteren ervan kan voorkomen.
  3. Vervolgens werd op de schaal van Benjamin de groep geplaatst die omschreven wordt als echte travestieten. Kenmerkend hiervoor is de omkleding, die zo vaak als mogelijk dient te gebeuren. De omkleding is een manier om ontspanning te verkrijgen en waaruit ook seksuele opwinding wordt gepuurd. Daarnaast kan het ook een psychisch streven zijn om vrouwelijkheid tot uiting te brengen. Het identiteitsgevoel blijft evenwel mannelijk, maar minder overtuigd en de seksuele voorkeur blijft meestal hetero. Hormonale behandeling kan als aantrekkelijk aanzien worden, maar geslachtstransformatie wordt meestal afgewezen. Afhankelijk van het sociale leven kan iemand twee persoonlijkheden aannemen, of zelfs als vrouw leven en zo geaccepteerd worden.

Men spreekt thans niet meer over ‘pseudo-travestieten’ of ‘echte travestieten’, eerder over cross-dressing. De diverse inhoudelijke beschrijvingen die Benjamin formuleerde, geven echter wel weer hoe verschillend de individuele beleving van cross-dressing kan zijn.

De weg van de psychopathologisering

In 1973 wordt door Fisk de term ‘genderdysforie’ voorgesteld. De term slaat op het gevoel van onbehagen dat voortkomt uit het conflict tussen de ervaren genderidentiteit en het lichamelijk geslacht. In het psychiatrische classificatiesysteem DSM (diagnostic and statistic manual of mental diseases) wordt transseksualiteit als aparte diagnose voor het eerst opgenomen in 1980 (versie III). In de DSM IV van 1994 wordt transseksualiteit niet meer vermeld, maar spreekt men voortaan van ‘genderidentiteitstoornissen’ (Gender Identity Disorder of GID) als omvattende categorie om verschillende niveaus van problematische beleving van genderidentiteit mee aan te duiden.

Weg van stigmatisering: transgender en gendernonconformiteit

Tussen de publicaties van de DSM III en de DSM IV maakte de term transgenderisme en transgenderist opgang. De term werd voorgesteld om diegenen aan te duiden die een genderidentiteit aannemen tussen de seksetypische heteroseksuele man of vrouw in. De term transgender kent opgang sinds de jaren 1990 als een overkoepelende term voor alle variaties op genderbeleving. ‘In deze term wordt niet verwezen naar een probleem of stoornis, om stigmatisatie of medicalisering van de conditie te vermijden.’ (Cohen-Kettenis & Pfäfflin 2003). Deze afkeer van stigmatisering en psychopathologisering kent meer en meer opgang: transgenderisme wordt gezien als een variatie op het man of vrouw zijn.

In de verschillende versies doorheen de tijd van de Standards of Care, de behandelingsrichtlijnen van de HBIGDA, is deze evolutie mooi te traceren (zie Califia, 2003). De HBIGDA besluit in 2006 om zijn naam te veranderden in WPATH: de ‘World Professional Association for Transgender Health’. Het is erg opvallend dat de term genderdysforie in de nieuwe naam vervalt, en dat nu de nadruk wordt gelegd op de gezondheid van transgender personen. De meest recente statements van de WPATH geven zeer duidelijk aan welk enorme evolutie deze organisatie doormaakt: in deze statements roept zij op tot het depathologiseren van transgender en tot de verwijdering van chirurgische ingrepen als juridische voorwaarden om een legale erkenning van de nieuwe geslachtsidentiteit te verkrijgen. In de nieuwste versie van de Standards of Care wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen genderdysforie en gendernonconformiteit.

Deze evolutie is tevens merkbaar in de nieuwe versie van de DSM. In de DSM V wordt de term genderidentiteitsstoornis vervangen door de term genderdysforie: hiermee wil men benadrukken dat het onbehagen (de dysforie) van tijdelijke aard is, en ook: dat niet alle transgenders last hebben van genderdysforie.

Bronnen

  • American Psychiatric Association. (1980). Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM III (3rd ed.). Washington, D.C.
  • American Psychiatric Association. (1994). Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM IV (4th ed.). Washington, D.C.
  • Benjamin, H. (1966). The transsexual phenomenon. New York: The Julian Press, Inc. publishers.
  • Califia, P. (2003). Sex Changes. Transgender politics (second edition ed.). San Francisco: Cleis Press Inc.
  • Cohen-Kettenis, P. T., & Pfäfflin, F. (2003). Transgenderism and intersexuality in childhood and adolescence: making choices. Thousand Oaks, CA: Sage Publications.
  • Devor, H. (1997). FTM. Female-to-male transsexuals in society. Bloomington: Indiana University Press.
  • Ekins, R. (2005). Science, politics and clinical intervention: Harry Benjamin, transsexualism and the problem of heteronormativity. Sexualities, 8(3), 306-328.
  • Fisk, N. M. (1973). Gender dysphoria syndrome (the how, what and why of a disease). In D. Laub & P. Gandy (Eds.), Proceedings of the second interdisciplinairy symposium on gender dysphoria syndrome (pp. 7-14). Standford, CA: University Medical Center.
  • Hirschfeld, M. (1910). Die Transvestiten: eine Untersuchung über erotischen Verkleidungstrieb, mit umfrangreichem kasuistischem und historischem Material. Berlijn: Alfred Pulvermacher Verlag.
  • Hirschfeld, M. (1923). Die intersexuelle konstitution. Jahrbuch für sexuelle Zwischenstufen(23), 3-27.
  • King, D. (1996). Gender Blending: medical perspectives and technology. In R. Ekins & D. King (Eds.), Blending genders: social aspects of cross-dressing and sex-change (pp. 79-98). London: Routledge.
  • Weeks, J. (2000). Making sexual history. Cambridge: Polity Press.
  • Wickman, J. (2001). Transgender politics. The construction and deconstruction of binary gender in the Finnish transgender community. Abo: Abo Akademi University Press.