genderdysforie

Transgender zijn werd lange tijd gezien als een mentale stoornis. Het concept kent een hele geschiedenis en kreeg verschillende benamingen. De term ‘transgender’ zelf is ontstaan in de jaren 1990 als een overkoepelende term voor alle mogelijke variaties van iemands genderbeleving. Transgender zijn werd voor het eerst in 1980 als aparte diagnose opgenomen in het psychiatrisch handboek en classificatiesysteem, de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Diseases (DSM) onder de noemer ‘transseksualiteit’ (versie 3, DSM-3). In de DSM-4 van 1994 werd ‘transseksualiteit’ niet meer vermeld, men sprak voortaan van ‘genderidentiteitsstoornissen’ als de omvattende categorie om verschillende niveaus van ‘problematische beleving van genderidentiteit’ mee aan te duiden.

In de DSM-5 uit 2013 werd de term ‘genderidentiteitsstoornis’ vervangen door de term ‘genderdysforie’. Genderdysforie slaat hierbij op het gevoel van onbehagen dat voortkomt uit het conflict tussen de ervaren genderidentiteit en het lichamelijk geslacht. Hiermee wilde de DSM-5 benadrukken dat het onbehagen van tijdelijke aard is – en dus geen psychiatrische stoornis – en ook dat niet alle trans personen last hebben van genderdysforie.

Genderdysforie als term is een omstreden diagnose met een lange voorgeschiedenis. Mogelijks heb je deze diagnose gekregen en stel je je hier vragen bij. De tendens tot depathologiseren groeit sterk de laatste jaren en ook de zorgverleners evolueren hierin mee. Zo besloot de Harry Benjamin International Gender Dysphoria Association (HBIGDA) in 2006 om haar naam te veranderen in WPATH: World Professional Association for Transgender Health. Het is opvallend dat de term genderdysforie in de nieuwe naam kwam te vervallen en dat de nadruk wordt gelegd op de gezondheid van trans personen.

Men kan dus perfect een gendervariante identiteit of -expressie hebben zonder dat hier enige behandeling of begeleiding mee gepaard gaat. Niet alle trans personen ervaren een groot conflict tussen lichaam en identiteit. Wanneer trans personen een vorm van behandeling of begeleiding wel noodzakelijk vinden, heeft die voornamelijk als doel de beleefde genderdysforie te verlagen. De behandeling is sterk geïndividualiseerd: sommige transgender personen zijn geholpen met enkel gesprekken en hebben geen behoefte aan hormoontherapie en/of chirurgische ingrepen, terwijl andere die wel nodig vinden om zich goed te voelen. Er bestaat niet zoiets als ‘het juiste’ traject dat trans personen moeten afleggen. De duur, het tempo en de inhoud van een transgenderzorgpad staat niet vast, maar bepaal je mee zelf.

Het behandelen van genderdysforie volgens de huidige medische procedures en protocollen is effectief gebleken. Decennia van klinische ervaring en onderzoek wijzen uit dat het welzijn van trans personen verhoogt door psychologische begeleiding en/of genderbevestigende behandeling (Coleman et al., 2012, p.8). Het gebruik van zogenaamde ‘hersteltherapieën of reparatieve therapieën’ die trachten transgender personen de genderidentiteit passend bij hun geboortegeslacht te doen aanvaarden, worden tegenwoordig als zeer onethisch beschouwd (Drescher, 2013). In sommige landen gaan zelfs stemmen op om hersteltherapieën bij wet te verbieden.

Bronnen