Nieuwe regering wil werk maken van aanpassing transgenderwet

09/11/2020

In de net gelanceerde beleidsverklaring van minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) staat dat deze werk wil maken van de verbetering van de transgenderwet die sinds 2018 in voege is. Naar aanleiding van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof (2019), dient deze wet aangepast te worden. In de praktijk zijn er twee mogelijkheden volgens Van Quickenborne: “Ofwel verwijderen we elke verwijzing naar het geslacht in onze wetgeving, zodat je aan niemand meer hoeft te vragen hoe ze geregistreerd willen staan. Ofwel creëren we naast “M” en “V” ook een genderneutrale “X”, die op de identiteitskaart en de registers van de burgerlijke stand zou komen” (VRTnews, 7/11/2020). De minister stelt dat hij een groep experten zal vragen om de voor- en nadelen van die mogelijkheden te bekijken, om daarna het dossier in de regering en het parlement te behandelen. 

Sinds de wetswijziging van 2017 die in voege ging in 2018, zagen we twee opvallende zaken: eerst en vooral is er een zeer sterke toename in het aantal personen dat een wijziging in de geslachtsregistratie aanvroeg. Ten tweede zijn de aanvragers sinds 2018 jonger en vragen zij vaker de wijziging van vrouw naar man aan. Sinds 2019 zien we dat er evenveel mannen als vrouwen een wijziging aanvragen, waar dat in het verleden er een overwicht was aan personen die een wijziging van man naar vrouw aanvroegen (Motmans & Cannoot, 2020). De wet van 2018 heeft dus gezorgd voor een genderevenwicht én een verjonging van de aanvragers (o.a. veroorzaakt door het wegvallen van de medische vereisten). Al blijft ze enkel toegankelijk vanaf 16 jaar.

Wat zijn de resterende problemen en mogelijke pistes?

Wat rest is het probleem voor zij die zich noch man noch vrouw voelen maar non-binair, én voor zij die zich niet in één hokje herkennen en eerder genderfluïde zijn. Uit recent Belgisch onderzoek blijkt het hierbij te gaan over 22% van de transgendergroep (Motmans et al, 2017). Kortom: 1 op 5 van alle transpersonen ziet zich nu niet erkend in de wet.

Voor wat betreft de eerste groep stelde het Grondwettelijk Hof voor dat de overheid twee mogelijke oplossingen kan uitzoeken: ofwel één of meerdere bijkomende hokjes (zoals bv. het derde hokje ‘X’) toevoegen, ofwel het niet meer registreren van geslacht. Landen als Malta die reeds een derde mogelijkheid zoals X invoerden, merken in de praktijk dat er geen gebruik van wordt gemaakt. Dit valt te verklaren door het feit dat de rest van de maatschappij (denk aan scholen, sport, ..) nog in M/V hokjes is opgedeeld en dat de informatie van iemands geslacht te pas en te onpas wordt opgevraagd. De zichtbaarheid en mogelijks bijhorend stigma, zijn ongewenste neveneffecten van deze optie. Er lijkt meer te zeggen voor het  niet langer registreren van het geslacht, of op zijn minst, het niet langer te beschouwen als een cruciaal element dat de staat van de persoon uitmaakt. Om tegemoet te komen aan het probleem van nodige data met betrekking tot geslacht, bruikbaar in het streven naar gendergelijkheid, stellen onderzoekers zoals dr. Cannoot voor om te weren met een soort van achterliggende databank. Voor thema’s als gezondheidsonderzoeken en medische opvolging kan Malta weer als voorbeeld dienen, waar huisartsen de nodige data aanleveren in het globaal medisch dossier zodat de juiste personen voor bepaalde bevolkingsonderzoeken kunnen worden opgeroepen. Screenings voor prostaatkanker bijvoorbeeld, gaan dan uit naar iedereen met een prostaat in plaats van alle juridische mannen.

Voor wat betreft de tweede groep, de gender fluïde personen, liet de uitspraak van het Grondwettelijk Hof duidelijk verstaan dat er geen bijkomende voorwaarden mogen worden opgelegd als een aanvrager een wijziging nogmaals wil doorvoeren. Een tweede of zelfs derde wijziging moet dus op exact dezelfde wijze kunnen worden aangevraagd als de eerste. Hiervoor zou het dus volstaan om de desbetreffende paragraaf in het Burgerlijk Wetboek die deze bijkomende voorwaarden oplegt, te schrappen. De angst voor de zogenaamde “continue flipflopsituatie”  (zie Coens in De Standaard, 9 november 2020) lijkt tot op heden, en ook in internationaal onderzoek, totaal ongegrond. Van de 1139 wijzigingen die tussen januari 2018- september 2019 plaatsvonden, is er tot op heden slechts één zaak bekend waarbij de aanvrager de wijziging wilde herroepen en deze ook toegewezen kreeg. Uit de zaak bleek trouwens dat dit te maken had met een gebrek aan sociale ondersteuning in het eigen familiale leven, en dus niet met een zogenaamde vergissing of verandering in genderbeleving.

Is er een maatschappelijk draagvlak voor deze wijziging?

In debatten betreffende de wijziging van geslachtsregistratie wordt vaak verwezen naar het mogelijk draagvlak in onze samenleving, en dus de ethische aspecten van dergelijke wijzigingen. Dat draagvlak kan klein of groot zijn, zowel bij transgender personen zelf, als in de algemene bevolking. Er is op heden erg weinig onderzoek naar dit gegeven. Uit de Special Eurobarometer van 2019 blijkt dat 70% van de Belgische bevolking vindt dat het mogelijk moet zijn voor transgender personen om hun identiteitsdocumenten te veranderen opdat deze overeenkomt met hun genderidentiteit. Ook was 54% het er mee eens dat er een derde markering zoals X zou worden ingevoerd naast M of V. Hierbij scoort België alvast boven de Europese gemiddelden van respectievelijk 59% en 46%. Helaas is er tot op heden nog niet bevraagd of men het ook eens zou zijn met het niet langer registreren van het geslacht op de identiteitskaart.

Bronnen: